Symptomatologie
Het polycystisch ovarium syndroom is een heterogene aandoening. Dit betekent dat de aandoening wordt gekenmerkt door verschillende symptomen die al dan niet (samen) voorkomen.
De symptomen die (kunnen) voorkomen bij PCOS zijn irregulaire cycli, amenorrhoe, hirsutisme, acne, alopecia, obesitas, psychische problemen, subfertiliteit, insuline-resistentie en (compensatoire) hyperinsulinemie.
Sommige patiënten lijden echter aan het PCO-syndroom zonder veel objectieve tekenen te vertonen. De symptomatologie is daarenboven ook onderhevig aan verandering over de jaren heen.
Door het uitblijven van de ovulatie bij PCOS-patiënten wordt de menstruatiecyclus verstoord. Zo’n 30-50% van de PCOS-patiënten hebben een onregelmatige menstruatiecyclus.
Onder normale omstandigheden treden in een menstruatiecyclus ongeveer dertien tot veertien menstruatiebloedingen op per jaar. Deze menstruele bloedingen komen voor met (regelmatige) intervallen tussen de 22 en 35 dagen die tevens niet variëren in lengte op meer dan 2 tot 3 dagen elke maand.
Bij patiënten die lijden aan het polycystisch ovarium syndroom komen minder dan acht menstruele bloedingen voor per jaar met (onregelmatige) intervallen die schommelen tussen de 35 dagen en 6 maanden. In dit geval spreken we van een onregelmatige of irregulaire menstruatiecyclus.
Wanneer er in een periode van 6 maanden of meer geen menstruele bloedingen voorkomen, spreken we van amenorrhoe. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen primaire en secundaire amenorrhoe.
Bij PCOS-patiënten hebben we meestal te maken met secundaire amenorrhoe. Dit houdt in dat de menstruatie wegblijft gedurende tenminste drie maanden na een tevoren normaal verloop van de menstruatiecyclus. Wanneer een vrouw echter nooit een bloeding heeft gehad en dit zonder gebruik van anticonceptie, spreken we van primaire amenorrhoe.
Amenorrhoe, waarvan voornamelijk secundaire amenorrhoe, komt voor bij 20-50% van alle PCOS-patiënten.
Hirsutisme, d.i. overmatige beharing van het seksuele type, komt voor bij 60-70% van de vrouwen met het polycystisch ovarium syndroom.
Het voorkomen van overmatige beharing is het gevolg van een teveel aan mannelijke hormonen, androgenen genoemd. Deze hormonen zorgen ervoor dat de normale lichaamsbeharing op bepaalde plaatsen stugger en donkerder wordt.
Bij PCOS-patiënten die lijden aan hirsutisme gaat het om een overmatige beharing van het mannelijke type waarbij bovenlip, kin, borst, onderbuik, bovenarmen, bovenbenen en boven- en onderrug de plaatsen zijn waarop de beharing voorkomt.

Acne vulgaris komt vooral voor in de adolescentie. Acne bij vrouwen kan worden aanzien als een manifestatie van een teveel aan mannelijke hormonen (= androgenisatie) ter hoogte van de huid. Deze hormonen maken de huid namelijk meer gevoelig om acne te ontwikkelen.
Wanneer acne na de tienerjaren nog steeds voorkomt, en wanneer deze acne voorkomt onder een ernstige vorm of pas laattijdig is ontstaan, wordt dit vaak geassocieerd met het polycystisch ovarium syndroom.
Hieruit mag men echter niet besluiten dat elke PCOS-patiënt altijd acne vulgaris ontwikkelt. Zo komt acne voor bij 30% van de PCOS-patiënten.
Alopecia androgenica is een aandoening waarbij haaruitval (‘alopecia’) progressief toeneemt en dit onder invloed van mannelijke hormonen (‘andro’genen) bij mensen met een genetische predispositie (‘genetica’).
Het typische patroon van haartuitval bij vrouwen is dat het haar over het volledige hoofd dunner wordt terwijl de frontale haarlijn blijft bestaan. Een totale haaruitval, zoals deze kan voorkomen bij mannen, komt zelden voor bij vrouwen. Vaak is de vrouwelijke haaruitval matig en beperkt deze zich tot de kruin. Haaruitval bij vrouwen evolueert meestal ook gradueel en kan fragmentarisch zijn of diffuus (overal).
De normale haarcyclus bestaat uit drie fasen nl. de actieve groeifase (anagene fase), die 2-6 jaar duurt; de overgangsfase (katagene fase), die 2-3 weken duurt en de rustfase (telogene fase), die 2-3 maanden duurt. Aan het einde van de rustfase wordt het haar uitgestoten en begint er een volgende cyclus.
Bij alopecia androgenetica is er een toenemende verkorting van de anagene fase waardoor het haar vroegtijdig de telogene fase bereikt en vervolgens uitvalt. Door de verkorting van de groeifase treedt er eveneens een reductie op van het haarzakje (= haarfollikel) en worden de lange, dikke, terminale haren met pigment vervangen door korte, dunne, vellusharen (of donsharen) zonder pigment. Ook de periode tussen de rust- en groeifase wordt na enige tijd groter, waardoor het aantal haren afneemt.
De gereduceerde follikel blijft echter wel actief (alive), maar toch groeien geen nieuwe haarpijlen.
Vrouwen die lijden aan het PCO-syndroom, kunnen de bevinding maken dat het haar op hun hoofd dunner wordt terwijl het haar op bvb. hun gezicht grover wordt. Dit komt doordat een androgenisatie ter hoogte van de scalp (= schedel) de anagene fase verkort en leidt tot alopecia en een androgenisatie ter hoogte van bvb. het gelaat de anagene fase versterkt met hirsutisme tot gevolg.
Bij 30-60% van alle vrouwen met PCOS is er sprake van overgewicht (BMI > 25 kg/m2). En bij 65% van de PCOS-patiënten draagt overgewicht, meer bepaald viscerale vetaccumulatie (= vetophoping ter hoogte van de buik) bij tot de pathofysiologische mechanismen van anovulatie.
5.1. DEFINITIE
De Body Mass Index (BMI), ook de Queteletindex genoemd, vormt een eenvoudige methode om na te gaan of iemand te licht of te zwaar weegt in verhouding tot zijn/haar lichaamslengte.
De BMI is namelijk de verhouding van het gewicht (in kg) gedeeld door de lengte (in m) in het kwadraat.
Classificatie:
- Onder de 18.5: ondergewicht;
- Tussen de 18.5 en de 24.9: normaal gewicht;
- Tussen de 25 en de 29.9: overgewicht;
- Tussen de 30 en de 39.9: zwaarlijvigheid (obesitas);
- Boven de 40: ernstige zwaarlijvigheid (morbide obesitas).
5.2. GEZONDHEIDSRISICO’S
Overgewicht houdt een aantal gezondheidsrisico’s in. Personen met overgewicht maar met een BMI tussen de 25 en de 29.9 lopen echter nog niet echt een risico, maar ze moeten opletten dat ze niet meer dikker worden.
Op het ogenblik dat men spreekt van obesitas, is er een verhoogde kans op allerlei aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, rugklachten, diabetes (= suikerziekte), bepaalde vormen van kanker en dergelijke meer.
Bij ‘morbide obesitas’ is de kans op gezondheidsrisico’s heel groot en is gewichtsverlies een noodzaak.
De Body Mass Index is (voor volwassenen) een goede aanduiding van de hoeveelheid vet in het lichaam. Maar naast de hoeveelheid lichaamsvet is ook de verdeling ervan een belangrijke factor voor het bepalen van gezondheidsrisico’s.
5.3. VETDISTRIBUTIE
Het vetweefsel kan zich op verschillende plaatsen in het lichaam concentreren. Wanneer het vet zich vooral ophoopt ter hoogte van de buik spreekt men van een ‘appeltype’, wat het meest voorkomt bij mannen. Wanneer het vet zich daarentegen meer concentreert ter hoogte van de bovenbenen en de heupen, spreken we van een ‘peertype’. De meeste vrouwen behoren tot dit laatste type.
De gezondheidsrisico’s voor personen van het ‘appeltype’ zijn groter dan voor personen van het ‘peertype’.
De eenvoudigste manier om de lichaamsvetverdeling bij benadering te bepalen, is het meten van de middelomtrek. Wanneer deze bij vrouwen tussen de 80 en 88cm bedraagt, is er een licht verhoogd risico op gezondheidsproblemen. Vrouwen met een middelomtrek van minstens 88cm hebben een reëel verhoogd gezondheidsrisico. Afvallen wordt in dit geval dan ook ten zeerste aangeraden.
Bij dit alles moet worden bemerkt dat het gewicht van een individu niet alleen wordt bepaald door de hoeveelheid en de verdeling van lichaamsvet. Iemands lichaamsbouw, botdensiteit, … moeten ook in rekening worden gebracht om het gewicht op een correcte manier te kunnen evalueren.
Iedereen neemt dagelijks, via de voeding, een hoeveelheid glucose (= suiker) op in zijn/haar lichaam. Deze glucose wordt door de cellen van het lichaam verbrand en omgezet in energie. Naast glucose zijn ook de vetten en de eiwitten een bron van energie voor het menselijke lichaam. Doch wordt glucose als eerste aangesproken.
Opdat de lichaamscellen glucose zouden kunnen opnemen en omzetten in bruikbare energie, hebben zij insuline nodig. Insuline is een stof die door het lichaam zelf, meer bepaald door cellen in de pancreas (= alvleesklier), wordt aangemaakt en kan worden aanzien als een sleutel die elke cel nodig heeft om zijn deur voor glucose te kunnen openen.
Bij sommige mensen, en zo ook frequent bij PCOS-patiënten, zijn de lichaamscellen minder gevoelig voor insuline. In dat geval spreekt men van insulineresistentie.
Insulineresistentie brengt met zich mee dat de lichaamscellen meer insuline (sleutels) nodig hebben om de deur voor glucose te kunnen openen. Daardoor wordt er compensatoir meer insuline geproduceerd door de pancreas en is er bijgevolg meer insuline in het bloed aanwezig zijn, ook hyperinsulinemie genoemd.
Dit volledige mechanisme kan ertoe leiden dat de PCOS-patiënt na enige tijd diabetes (type 2) ontwikkelt. De pancreas moet bij iemand met insulineresistentie namelijk dubbel zo hard werken dan bij iemand zonder deze aandoening. Daardoor zijn de cellen van de pancreas vlugger uitgeput en na enige tijd niet meer in staat zijn om voldoende insuline te produceren. De hoeveelheid glucose, aanwezig in de bloedbaan, zal zodoende niet meer voldoende worden opgenomen door de lichaamscellen en een teveel aan glucose in het bloed, of hyperglycemie, veroorzaken.
Insulineresistentie, voorkomend al dan niet bij PCOS-patiënten, blijkt te wijten aan een inwendig defect dat aanwezig is bij personen met een genetische predispositie.
7. Verstoorde hormonale balans
Zoals reeds eerder vermeld, wordt het proces van follikelrijping, -groei en ovulatie gereguleerd door het Follikel Stimulerend Hormoon (FSH) en het Luteïniserend Hormoon (LH). Een goede verhouding en interactie van beide hormonen is hiervoor noodzakelijk.
Onder normale omstandigheden zijn de FSH-waarden verhoogd in de eerste helft van de menstruatiecyclus, d.i. de eerste 14 dagen na de aanvang van de menstruatie. Tijdens die periode staat dit hormoon in voor de rijping en groei van een follikel. Het FSH werkt niet alleen in ter hoogte van de ovaria, maar bevordert ook de groei van het endometrium (= baarmoederslijmvlies). In de tweede helft van de cyclus zijn de FSH-waarden laag.
Het Luteïniserend Hormoon brengt veranderingen teweeg in de follikelwand en tevens in de eicel (ovum) waardoor de eisprong plaatsvindt. Deze laatste wordt veroorzaakt door een piek van de LH-waarden.
Bij patiënten, die lijden aan het polycystisch ovarium syndroom, is deze hormonale balans ernstig verstoord. Zo komen continu verhoogde LH-spiegels voor bij 40-50% van de PCOS-patiënten. Het polycystisch ovarium syndroom is dan ook het meest voorkomend hormonaal probleem bij vrouwen op vruchtbare leeftijd.
Door de verhoogde LH-spiegels, in combinatie met lage FSH-waarden, ontwikkelt een follikel niet of onvoldoende. Anderzijds is het mogelijk dat er wel een follikel ontwikkelt maar dit langer duurt door de verlaagde FSH-waarden.
2.8. Hyperandrogenisme
Hyperandrogenisme betekent letterlijk een teveel aan androgenen (= mannelijke hormonen) en komt voor bij 30-50% van alle PCOS-patiënten.
Hyperandrogenisme leidt voornamelijk tot de symptomen hirsutisme, alopecia androgenetica en acne.




